| ADER |
Witte lineaire structuur aanwezig in steen. |
| AFKANTING |
Korte schuine kant op een uitspringende hoek. |
| AFWERKING |
Bewerking van het oppervlak van de steen. Er bestaan verschillende soorten afwerkingen : gebouchardeerd, gevlamd, gezaagd, geslepen, gezoet, gepolijst, enz. |
| BEITEL |
Plat gereedschap dat via een van zijn uiteinden afkapt in de natuurlijke richting van de broosheid van het gesteente. |
| BEWERKEN |
Proces waarbij machines platen voorzien van traditionele behouwingen. |
| BIKHAMER |
Hamer met twee lemmers, omgekeerd gedraaid in verhouding tot het handvat. |
| BLOK |
Onbewerkt parallellepipedumvormig product gedolven uit de steengroeve. |
| BOK |
Metalen structuur voor het opslaan van platen op de werf of voor transport. |
| BOORDJE |
Smalle boord van een fijngesneden stuk steen. |
| BOUCHARDHAMER |
Hamer met een vierkant kopvlak bezet met punten om de oppervlakte van een steen te effenen. |
| CENTRAAL GEDEELTE |
Centrale zone van de voorkant van een steen. |
| CRINOÏDE |
Zeeorganisme, soms talrijk als een fossiel aanwezig in Belgische Blauwe Hardsteen. |
| DELVER |
Arbeider die ‘aan de rots’ werkt voor de ontginning van de blokken. |
| DIAMANTDRAAD |
Kabel bezet met diamanten waarmee onder toevoeging van water steen kan worden gezaagd. |
| FOSSIEL |
Belgische Blauwe Hardsteen wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van talrijke fossiele organismen met een bijzondere morfologie. De fossielen kunnen wit, grijs of zwart zijn. De fossielen die het vaakst voorkomen in Belgische Blauwe Hardsteen zijn crinoïden. |
| GEODE |
Bolvormige en holle stenige massa waarvan de binnenkant bedekt is met kristallen. |
| GLAUCONIET |
Waterhoudend ijzersilicaat, donkergroen mineraal dat voorkomt in bepaalde sedimentaire gesteenten. |
| GLYPTOGRAFIE |
Tak van de geschiedeniswetenschap die de lapidaire tekens bestudeert. |
| GRADINE |
Heel smalle en gekartelde beitel die vooral gebruikt wordt voor het voorhakken. |
| HOUWEN |
Verwijst naar het snijden van steen en het mechanisch vlakslijpen (boucharderen, vlammen…) |
| IN GROEFLEGGER |
In de richting van de laag van de natuurlijke sedimentatie van de stenen. |
| KARSTISCH |
Term die gebruikt wordt voor kalkstenen die aan de oppervlakte en in de diepte aangetast werden door water dat holtes gevormd heeft door in barsten te sijpelen. |
| KANTRECHTEN |
Handeling waarbij de zijden van een blok ongeveer rechthoekig worden gemaakt. |
| KERFMACHINE |
Een machine die dient om diepe inkepingen te maken evenwijdig met of loodrecht op de stratificatie van de gesteenten om het in stukken hakken gemakkelijker te maken. |
| KLOVING |
Handeling van het doen splijten in de natuurlijke richting van de gelamelleerde lagen. |
| KORST |
Grijsbruinkleurige brokkelige laag op de steen. |
| LIGGING VAN DE STEENLAAG |
Natuurlijke ligging van de afzetting van de stenen, niet altijd horizontaal. |
| ‘LIMÉ’ |
Fijne ader, bestaat vaak uit wit calciet. |
| MARMER |
De professionals uit de wereld van steen gebruiken de term ‘marmer’ voor de verschillende harde kalkachtige gesteenten die gepolijst kunnen worden. Als verduidelijkt wordt dat het om echt marmer gaat, wordt deze term alleen gebruikt voor metamorfe gesteenten. |
| MARMERBEWERKING |
Vlakslijpen van platen en tegels (puimen, polijsten…) |
| PALET |
Randen van een gehouwen element, die anders behandeld worden dan de centrale oppervlakte. |
| PIN |
Pons met een lengte van 0,25 tot 0,35 m. |
| PLAAT |
Halfafgewerkt product dat het resultaat is van het zagen van een blok in dunne lagen (van ongeveer een centimeter). Platen worden evenwijdig met de steenbank gezaagd. |
| PLAATSINGSLAAG |
Onderkant van een steen die bestemd is om bovenop een andere te worden geplaatst. |
| PROFILEREN |
Methode voor het schetsen van vormen en beeldhouwwerken met als bedoeling om de uiteindelijke vorm te benaderen. Men begint met een parallellepipedum en verwijdert de prisma’s steeds fijner op tangentiële wijze tot het definitieve volume bereikt is. |
| RAAMZAAG |
Metalen kader waarin de talrijke metalen snijbladen voor het zagen van de blokken in platen worden opgehangen. |
| SCHAVEN |
Handeling waarbij alle oneffenheden van een onbewerkte kant vlak gemaakt worden. |
| SCHISTVORMING |
Schistachtige gelaagdheid van bepaalde gesteenten naar aanleiding van een drukuitoefening. |
| SCHOONMAKEN |
De korst of de zachte delen rond een steenblok verwijderen. |
| SCHROEFDRAAD |
In spiraalvorm gevlochten metalen draden waarmee onder toevoeging van zand en water steen kan worden gezaagd. Oude methode voor het zagen van steen. |
| SPIGOT |
Metalen puntbeitel om de steen uiteen te doen barsten vanuit de perforatielagen. |
| SPLIJTEN |
Handeling waarbij het blok opgedeeld wordt in de richting van de stratificatielagen. |
| STEENBANK |
Steenachtige laag gescheiden van de andere onderlagen door een verbindingslaag die over het algemeen heel zacht of zelfs hol is. |
| STEREOTOMIE |
Wetenschap die de snijding van harde grondstoffen (stenen, hout, enz.) behandelt; methode voor het snijden en het samenvoegen van stenen die een beroep doet op de beschrijvende meetkunde. |
| STRATIFICATIE |
Lagen van een gesteente of van verschillende gesteenten liggen op elkaar gestapeld. |
| STYLOLIET |
Kleine onderbrekingen in de sedimentaire gesteenten, evenwijdig aan de laag en gekenmerkt door een bundeling van klei. |
| TEGEL |
Afgewerkt product met standaardafmetingen. |
| TEGENDRAADPLAAT |
Dikke platen (15 cm of meer) gezaagd loodrecht op de steenbank. |
| TEGEN GROEFLEGGER |
Richting loodrecht op de oppervlakte van de afzetting in de sedimentaire gesteenten. |
| TEGEN GROEFLEGGER |
Positie waarbij een gesteente in een andere richting dan die van de laag staat. |
| UITPOMPING |
Afvoeren van geïnfiltreerd water. |
| WACHTLAAG |
Bovenkant van een steen die moet dienen als ondersteuning voor een nieuwe blok. |
| ZAGEN |
Handeling waarbij een blok in platen wordt gesneden. |
| ZAGEN |
Handeling waarbij onbewerkte ontgonnen blokken in kleinere stukken gesneden worden. |
| ZIJKANT |
Externe boord van de zijde van een steen. |
| ZWARTE VLEK / ZWARTE ADER |
Onregelmatige naden verschijnend in de vorm van een koolhoudende lijn in de steen. |